Wish you were here

‘Shit! Ik schrik me rot man.’ Met een diepe en trillende zucht draai ik me om, in de volle overtuiging dat Rick achter me staat. Een vreemde man kijkt me dreigend aan. Nog geen tien seconden geleden is hij schreeuwend en op mijn rug slaand achter me tot stilstand gekomen. Mijn hart bonkt in mijn keel en voor ik het in de gaten heb, heeft de man mijn armen op mijn rug in een vreemde hoek gedraaid. Ik jammer en probeer te schreeuwen, maar ben door angst verlamd.

29 februari 1952 – 29 februari 2012

Wij nodigen u uit om onze vijftiende huwelijksdag op woensdag 29 februari 2012 met ons te vieren. En dat na zestig jaar lief en leed! U bent van harte welkom in de Fruithof. Om 15.00 uur snijden wij de bruidstaart wederom aan en klinken we op ons aller gezondheid.

Jan en Marie de Vries

‘Weet iemand waar Mari-Angèl is? Je hebt haar toch wel uitgenodigd, mam?’ Marian kijkt haar moeder indringend aan. ‘Ik weet dat ze niet van de betrouwbaarste soort is, maar het is wel je kleindochter.’
Marie kijkt haar dochter verbolgen aan. ‘Natuurlijk heb ik Mari-Angèl uitgenodigd, maar dat ze niet betrouwbaar is, blijkt wel weer hè…’ Zojuist hebben Jan en Marie de bruidstaart aangesneden. Geen teken van leven van Mari-Angèl.
‘Waar hangt die rotmeid nou weer uit?’ Marian trekt zich terug op de gang met haar mobiele telefoon. Geen gehoor.

Jan heeft het Marie nog zo gevraagd: ‘Sta nou klaar om tien uur, dan hebben we nog even tijd om die krans naar mijn ouders te brengen’. Natuurlijk is Marie nog niet klaar. En dat terwijl ze om half twaalf bij het gemeentehuis moeten zijn. Moeten ja, want ze moeten trouwen. Na een onvoorzichtige actie van Jans kant, Marie treft geen blaam vindt hij, is het nu zaak het zo snel mogelijk te regelen.
‘Dan maar de 29e’, heeft Jan die week daarvoor gekscherend geroepen, ‘dat scheelt me een hoop bloemen, als we maar eens in de vier jaar een trouwdag hebben
’.
Marie heeft het geregeld. Nu staat ze voor hem, in een witte jurk, met haar rug naar hem toe.
‘Doe jij die rits even dicht, het lukt me zelf niet’.
Die witte jurk is natuurlijk farce. Maar ja, nu het toch zo snel geregeld is, is er nog geen bolling onder de jurk zichtbaar. Gelukkig. Jan is overtuigd dat er van zijn familie géén cadeau te verwachten is, mocht men er achter komen wat de reden van hun snelle huwelijk is.

Ik knipper met mijn ogen, waar ben ik? Naast me hoor ik gekerm. Ietwat ongemakkelijk, ik voel pijn in al mijn botten, probeer ik me om te draaien. Mijn handen zijn gekneveld achter mijn rug en ook mijn voeten zitten vast. Op mijn mond zit een flink stuk tape. Af te leiden aan het gekerm naast me, ben ik niet de enige. Ik probeer me om te draaien, wat niet eenvoudig is. Naast me ligt een vrouw, net als ik gekneveld en getapet. De vrouw kermt nog wat en komt duidelijk ook bij haar positieven. Ze slaat haar ogen op en kijkt me een tel indringend aan. Ik herken haar. Maar ken ik haar? Ik doe mijn best te focussen.

Jan zit, sinds zijn ouders beiden onder de zoden liggen, goed in de slappe was. En op die zoden gaan ze een krans met bloemen neerleggen. Marie staat er op. Met moeite krijgt Jan de rits dicht, de buik is in een week tijd toch nog wat gegroeid. Hand in hand lopen ze naar de Mariakerk. Marie keuvelt wat, ja keuvelen is het goede woord, en Jan knikt. Hij is in gedachten verzonken. Marie is een beste hoor, begrijp hem niet verkeerd, maar het gaat hem allemaal iets te snel. Als hij knielt naast de zerk van zijn ouders, ziet Jan dat er een traan over Marie’s wang loopt. Zijn twijfel laat hij direct varen, Marie is een beste partij. Ze staan nog wat, zeggen niets, als vanuit het niets een man schreeuwend aan komt rennen en hard op de rug van Marie slaat. Marie schreeuwt het uit van pijn. Ze grijpt naar haar buik en zakt kermend op de grond. Jans opmerking dat dit met recht een schrikkeldag is, valt niet in goede aarde. En met het ‘moeten’ van het huwelijk is, naar later blijkt, korte metten gemaakt.

Ik lig de vrouw nog aan te staren, praten valt niet mee met zo’n stuk tape op je mond, en zie dat ze schrikt. In antwoord op de blik in haar ogen van ‘jij ook hier’, knik ik langzaam ‘ja’. Uit haar gemompel kan ik mijn naam opmaken. Ze weet mijn naam? Wie ís die vrouw?

Hoewel Jan nooit heeft kunnen verkroppen dat het leven van hun eerste baby zo zinloos beëindigd is, hebben ze samen vier kinderen gekregen: Frans, Jaap, Marian en John. Marian wordt door haar moeder altijd liefkozend Marietje genoemd, om de vernoeming te benadrukken. Om haar moeder te verrassen heeft Marian later hetzelfde gedaan: haar dochter heet Mari-Angèl.

Marie heeft nooit meer willen praten over de schreeuwende man. De eerste jaren van hun huwelijk is ze zeer schrikachtig, je moet nooit plotseling tegen haar praten als je achter haar staat en als je haar jolig op haar rug slaat, kun je rekenen op een flinke scheldpartij. Jan heeft zich jaren afgevraagd wie die vreemde man is, maar heeft zich er later bij neergelegd. Hij troost zich met de gedachte dat als het eerste baby’tje was blijven leven, zij hun oudste zoon Frans niet gekregen zouden hebben. En vandaag, op hun zestigjarige jubileumdag, vraagt hij zich verbaasd af waar Mari-Angèl toch is.

De vrouw en ik kunnen alleen met onze ogen praten. Hoewel het ongemakkelijk is, kost het niet veel moeite om elkaar te begrijpen. Ons doel lijkt duidelijk: we moeten hier weg zien te komen. Een luide knal doet ons opschrikken. Een man komt het smoezelige hok binnen en trekt mij overeind. Echt bekijken kunnen we hem niet, hij heeft een petje over zijn ogen getrokken en de ruimte is schemerig. Hij schopt mij half overeind en doet hetzelfde bij de andere vrouw.

Jan begint nu toch wel ongerust te worden: wat Marian en Marie ook over Mari-Angèl zeggen, hij weet zeker dat ze naar het feest wil komen. Hij heeft haar vorige week nog gesproken. Als verrassing voor Marie zal Mari-Angèl een mooi lied zingen. Want zingen kan die meid. Haar broer Rick zal haar begeleiden, met een gitaar. ‘Wish you were here’. Hún liedje uit 1952. Vorige week is hij stiekem bij de repetitie geweest. Met tranen in zijn ogen heeft hij naar zijn kleindochter geluisterd. Wat zal Marie verrast zijn… Die tekst is nu wel heel toepasselijk zeg. Wish you were here. Mari-Angèl, waar zit je?

Een schrapend geluid doet hem uit zijn gedachten opschrikken. Jan kijkt verbaasd op. Voor hem staat Marie. Met een microfoon.
Marie kijkt hem aan en begint een speech. Voor hém. ‘Jan, ik wil je bedanken voor de afgelopen zestig jaar. Het is natuurlijk jammer dat ik maar vijftien keer bloemen van je kreeg.’
Uit de zaal klinkt gelach en Marie geeft Jan een knipoog. ‘Wat ik je even wil zeggen. Het was niet eenvoudig, vooral in het begin. Wat niemand hier weet, is hoe moeilijk wij het in het begin gehad hebben. We moesten trouwen, ik was in verwachting.’
De sfeer in de feestzaal slaat om, iedereen is stil en zit ademloos te luisteren.
‘Die zwangerschap werd wreed verstoord op onze trouwdag. Precies zestig jaar geleden, op het kerkhof, terwijl we het graf van je ouders bezochten.’
Marie snikt maar blijft kranig overeind.
‘Jan, ik moet je wat bekennen. Ik weet wie die man was, daar op dat kerkhof. Die man die ons, op ónze schrikkeldag, zo heeft laten schrikken. Mij zó liet schrikken dat ik er bijna in bleef. De man die ik altijd de schuld gegeven heb van de dood van mijn kindje.’
De zaal is zo stil dat je een speld kan horen vallen.
Jan zit met zijn mond open. Hij wrijft in zijn ogen, gebeurt dit écht?
‘Ik heb je nooit durven vertellen wie het is, Jan. Omdat het té pijnlijk is. Omdat je me niet zou geloven, me niet zou vergeven. Nu, met iedereen als getuige, wil ik het alsnog bekennen.’
Marie slaakt een diepe zucht, neemt een flinke teug adem en vervolgt: ‘Die man was de vader van dat kindje. Niet jij Jan, het was van hem. Ik ben achteraf blij dat wij samen een gelukkig leven hebben, dat je bij me gebleven bent. Dat we Frans, Jaap, Marian en John hebben. Dat we nu zestig jaar…’
Met een klap slaat de stoel van Jan op de grond. Hij heeft hem naar achteren geschoven en snelt de zaal uit. De tranen lopen over zijn wangen. Dat Marie hem dit aandoet. Hem zo voor schut zet, met als getuige al zijn vrienden, zijn kinderen, zijn kleinkinderen. Hij is blij dat Mari-Angèl er niet is. Dat liedje kan hem gestolen worden. Een farce. Zijn leven is een farce. Zijn huwelijk. Die baby.

In de zaal is het nog steeds stil. Niemand durft iets te zeggen. Te bewegen. Marie is geschrokken van Jan. Zo heeft ze de situatie vooraf niet ingeschat. Het heeft haar beter geleken het verhaal ‘en plein public’ te brengen. Ze wil Jan juist vertellen hoe blij ze met hem is. Maar dat geheim, dat moet er nu een keer uit. Arie heeft haar vorige week opgezocht. Hij is weer eens vrij, heeft ontelbare malen vastgezeten in de afgelopen zestig jaar. Hij chanteert haar, zegt dat hij haar iets ergs aan zal doen, als ze niet snel €10.000 betaalt. En dat hij Jan dan vertelt hoe het zit. Ze móet het wel vertellen. Jan moet het van haar horen, niet van Arie. Verder is ze niet bang, wat voor ergs kan Arie haar nog aandoen? Jan zal haar beschermen, zoals hij altijd doet. Altijd gedaan heeft. Altijd…

Met een rood hoofd van de kou loopt Jan in de boomgaard achter de Fruithof. Zijn jas is hij in de haast vergeten. Hij overdenkt wat hij zojuist gehoord heeft. Die vent gisteren aan de deur heeft dus gelijk. Zou hij? Is hij het? Hij weet waar hij hen op kan pakken, zei hij. Dat hij dat altijd geweten heeft, waar de zwakke punten van Marie liggen. Jan heeft hem in zijn gezicht geslagen. Zijn Marie beschermd. En ineens, onder de mooiste perenboom uit de boomgaard, weet hij het. Mari-Angèl. Die kerel heeft iets gedaan met zijn kleindochter. Jan snelt naar de Fruithof, denkt niet meer aan zichzelf, niet meer aan de schaamte. Het enige waar Jan nog aan denkt, is zijn kleindochter. Die lieve Mari-Angèl die hem nooit in de steek zou laten met ‘Wish you were here’.

In een flits schiet de vrouw nog verder overeind dan dat de man haar getrokken heeft. Ik schrik er van. Met haar geknevelde benen haalt ze de man onderuit. Hij is overdonderd. Met een luide klap valt hij op de vloer, kermend grijpt hij naar zijn rug. Met haar benen weet de vrouw de man nog verder onderuit te halen. Het petje schuift van zijn hoofd, tot mijn verbazing komt er een bejaarde man onder tevoorschijn. Vandaar dat ze hem zo snel af kan zijn. Dit kan toch nooit de man zijn die haar vanmorgen zo bruut belaagd heeft? Ik knipper met mijn ogen om de man nog eens goed te kunnen bekijken. Hij schreeuwt het uit, jammerend en om hulp roepend. Ik hoor iemand de trap op komen, snel, alsof de persoon drie treden tegelijk neemt. De deur zwaait met een ruk open. Deze man herken ik, dit is de man die me geslagen heeft vanmorgen, die me liet schrikken.
‘Opa!’ de man kijkt bezorgd naar de bejaarde man op de grond. Dan kijkt hij naar ons. ‘Ik zei toch dat dit niet ging werken. Als jij wraak wilt nemen op je vriendinnetje van vroeger, moet je haar zelf nemen, niet jonge, sterke vrouwen die je niet aan kunt.’
Zuchtend pakt hij een zakmes uit zijn broekzak en begint onze touwen door te snijden. Dan bekommert hij zich om zijn opa.

Jan is buiten adem als hij de feestzaal weer in rent. ‘Mari-Angèl, die vent heeft Mari-Angèl.’
Marie kijkt hem verbaasd aan. Marian schudt haar hoofd, haar ouders zijn gek geworden, krankzinnig. ‘Mari-Angèl drukt gewoon haar snor, als altijd.’
Jan lijkt echter zeker van zijn zaak. Misschien moet Marian hier maar niet tegenin gaan. Ze gebaart naar haar zoon, ‘Rick, loop jij even met opa mee, kijk of je hem ergens mee kunt helpen’.

Ik kijk de vrouw verbaasd aan, moeten we nu vluchten? Kunnen we gewoon weg? Onze monden zijn nog afgeplakt. Met een grimas van de pijn trek ik de tape van mijn mond. Niet talmen. Doorzetten. Bij de vrouw doe ik hetzelfde. Ze geeft een gil van de pijn, wrijft over haar mond en steekt me de hand toe: ‘Karin, aangenaam’. Op mijn ‘Mari-Angèl’ zegt ze: ‘Weet ik, ik ken je’. Verbaasd kijk ik haar aan. ‘Ik heb Arie achtervolgd…’
‘Wie is Arie?’
Karin knikt naar de man op de grond.
‘Ik ben Joost’, de kleinzoon van Arie wil ons ook de hand schudden.
‘Welja jongens, laten we er een theekransje van maken’. Boos zet ik me af, probeer te gaan staan, weiger Joost een hand te geven. Eerst wil ik tekst en uitleg.

‘Rick, je weet dat je zus zou komen?’ Jan kijkt zijn kleinzoon hoopvol aan, ‘jullie zouden samen ‘Wish you were here’ doen. Toch?’
Rick knikt. Ja, zijn zus heeft inderdaad dat suffe lied met hem ingestudeerd. Voor zijn opa en oma. Vooral voor zijn opa, daar is hij van overtuigd. Mari-Angèl en opa, twee handen op één buik.
‘Ja opa, ze zou komen.’ Meer kan hij niet bedenken.
Rick draalt nog wat, loopt besluiteloos in het rond tot hij in de verte zijn zus aan ziet komen, vergezeld door twee mensen. Bijna wordt hij boos, Mari-Angèl heeft het voor elkaar, zij mag natuurlijk van opa haar vrienden meebrengen. Hij stoot zijn opa aan, er verschijnt een driedubbele glimlach op Jans gezicht.

‘Hallo buurvrouw’, Karin geeft Marie een hand.
Ook een vreemde jongeman geeft haar een hand: ‘Hallo mevrouw, gefeliciteerd’.
‘Karin? Wat doe jij hier?’ Marie kan haar ogen niet geloven. Haar altijd nieuwsgierige buurvrouw Karin, dat ‘Aagje-eerste-klas’ op haar bruiloft? Ze weet zeker dat ze haar niet uitgenodigd heeft. Dat mens is haar te nieuwsgierig. Hoe ze van de week ook keek, toen Arie aan de deur was. Hoe Marie wist dat Karin zich er mee zou gaan bemoeien. Tot haar verbijstering zegt Karin verder niets. Ze trekt een stoel naar zich toe en gaat zitten. Naast haar de jongeman die Marie lichtelijk bekend voor komt. Welja, de brutaliteit! Maar nog voor Marie er iets van kan zeggen, wordt ze verrast door tonen uit het verleden.

They’re not making the skies as blue this year – wish you were here’.
Marie knippert met haar ogen. Hún liedje?
As blue as they used to when you were near – wish you were here’. Mari-Angèl komt de feestzaal in, met in haar hand een microfoon. Naast haar Rick met zijn gitaar, gevolgd door een zeer emotionele Jan, de tranen lopen over zijn wangen.
Marie zakt in haar stoel, sluit haar ogen en geniet van de muziek. Ze voelt hoe Jan haar hand pakt, hij is naast haar komen zitten. Bij de laatste strofen: ‘They’ve stolen the joy from the night. Wish you were here, wish you were here, wish you were here’, opent Marie haar ogen. Mari-Angèl zit op haar knieën voor haar, Rick staat er achter. Ze gebaart naar Karin en de onbekende jongeman.
‘Hallo oma, dit is Joost en dat is Karin, haar kent u vast wel. Dit zijn mijn vrienden. Ik hoop dat u het niet erg vind dat ik ze heb meegebracht?’
Marie schudt bijna onopgemerkt haar hoofd. Het is goed zo. Alles is goed. We are here…