Praatgraag…

Praatgraag…

Mompelen, fluisteren, in jezelf.
Slopend veel praten.
Over boeiende zaken, niet-boeiende zaken, oninteressante zaken…

Praten in je slaap.
Samenhangend, onsamenhangend, vreemd, raar, doelloos.
Doelloos veel praten.
Krachtig praten, boos praten, geïrriteerd praten.
Zachtjes praten, niet fluisteren maar zachtjes praten, omdat je nu eenmaal zacht praat.

Kinderachtige praatjes, stomme praatjes, roddelpraat.
Straatpraat, straattaal, schuttingtaal uitslaan.
In het wilde weg praten.
Zingend praten, huilend praten, huilpraten.
Droevig praten.
Jànkend dingen vertellen.
Lachend nietszeggend vertellen.
Flauw vertellen, niet zoutloos flauw maar gezouten flauw.
Heel flauw dus.
Smakelijk vertellen, smakeloos vertellen, smakkend vertellen, smaakmakend vertellen of spraakmakend vertellen.

Niet vertellen, maar gewoon praten.
Niet spreken, maar praten.

Praatgraag…