Eén passage

Ik sta op het station op de trein naar Den Haag te wachten als ik hem zie. Hij staat met zijn rug naar me toe. Die rug, de achterkant van zijn hoofd en zijn strakke kont: het is genoeg. Om verliefd te worden. Zonder zijn voorkant ooit gezien te hebben, ben ik verliefd op deze man. De trein komt aanrijden en hij draait zich even naar mij om. Hij heeft vast het gevoel dat er iemand naar hem kijkt want hij kijkt me een tel strak aan. In die luttele seconde schrik ik. Sta ik hier nu verliefd te worden op een oude man?

Minstens vijftig is hij. Hij stapt in de trein, ik stap ook in en volg hem naar de coupé. Hij loopt naar een vrije plek, gaat zitten en pakt een krant uit zijn tas. Ik blijf staan. Vanaf mijn staplaats heb ik perfect uitzicht op de achterkant van zijn hoofd. Ik sta zo dichtbij dat ik kan meelezen op zijn krant. Hij begint bij sport. Net als ik vind dat hij nu wel genoeg sportnieuws gelezen heeft, bladert hij naar de overlijdensadvertenties. Hij scant snel. Hij vervolgt met de voorpagina. Mijn man. Mijn man zou nooit beginnen met de voorpagina, dat doet hij op zijn vroegst als derde. Zie je wel, denk ik, dit is hem gewoon.

Het is alsof er geen andere mensen in de trein zitten. Slechts hij en ik. In werkelijkheid zit de trein vol, het is spits. In Den Haag blijft hij zitten. Ik kijk op mijn horloge. Kwart voor negen. Over een kwartier moet ik op mijn werk zijn, vijf minuten lopen van Centraal. Maar hij blijft zitten, dus ik blijf staan. Ongeveer een kwartier later stapt hij uit in Delft. Waarom ga ik achter hem aan? Die man is oud. Stokoud voor mij. Even twijfel ik. Te laat op mijn werk ben ik toch al, dan maar wat avontuur. Ik spreek mezelf streng toe. Kom Tan, ga achter hem aan. Volg hem…

Een passage uit Ik geef ons rozen, het eerste manuscript dat ik schreef. Het ligt in de koelkast. Te wachten. Waarop?

Tot ik hem ooit eens helemaal ga herschrijven …

Een gedachte over “Eén passage

Reacties zijn gesloten.